OPHETLAND.EU
   <<< beginpagina
Journalistiek
Columns
Artikelen
Boeken
Natuurmakers
Op het land

Landschapsbiografie van de Drentsche Aa
Ineke Noordhoff
Agenda
Contact
 
Artikelen


Geert Mak over landschapspijn
Kwartetten met gebouwen
Modderig museumstuk
Pieterburen aan Zee
De 21e eeuw
De druk neemt toe
Op zoek naar Wadden-wildernis
Goed zoeken naar Waddenwerelderfgoed
Grazen in stuivende duinen
Zee klapt over Rottum
Rottum groeit
Simonszand door midden
Bijzonder burgerinititief
Blekers boeren
Knikklei aan de haringen
Nieuwsmonitor 2
Nieuwsmonitor 1
Dannemeer 9
Dannemeer 8
Dannemeer 7
Dannemeer 6
Dannemeer 5
Dannemeer 4
Dannemeer 3
Dannemeer 2
Dannemeer 1
Het luie landschap

Verlangen naar wildheid
Alweer een moeras
Vrijbuiters van īt wad
Vrije-keuze-koeien
Feestje op braakland
Intratuin op grote schaal
In dienst van de natuur
Leuk werk in vijfsterrenlandschap
Een schuur vol beukennootjes
De natuur als medicijn
Help, ze komen plantjes tellen
Boeren stoppen met natuurbeheer
Het is een lastige periode
Akkervogels wacht hongerwinter
Geef burgers het landschap terug
Kleinere redacties, betere kranten?
Inkrimpingen gaan door
Vogelaar: dubbelspel
Grutto's kijken in stadsland
Met de tram de stad uit
Heel erge betweters moeten dood
Mensen vervreemden van de natuur
Het lageland stroomt vol


Verlangen naar wildheid

Beek-Ubbergen, februari2010


Geplaatst in Ode januari-februari 2010

 

door Ineke Noordhoff

De jongeren hadden wat onverschillig onderuit gehangen toen Thomas van Slobbe hen een voorstel deed: ontwerp een eigen ‘groene hangplek’. Van Slobbe was er op uitnodiging van de gemeente Nijmegen, die een bekend probleem opgelost wilde zien: samenklonterende jeugd verveelt zich, wordt agressief en veroorzaakt overlast. Groen kan de oververhitting uit de samenleving halen, meent Van Slobbe. Een boom geeft schaduw en brengt rust. De bladeren ruisen. Rond een boom kun je dollen en klauteren. Zo ontstond het idee voor die groene hangplekken.

‘Eerst reageerden de jongeren verveeld’, herinnert Van Slobbe zich die eerste gesprekken op een winderig schoolplein in Nijmegen. Hij kreeg ze pas mee nadat hij had beloofd dat de gemeente hun idee zou gaan uitvoeren, wat ze ook zouden verzinnen. ‘Echt waar? Gaan jullie het dan werkelijk maken? Ik zag de jongeren ineens rechtop zitten.’ Het idee: jongeren zullen zuiniger zijn op een zelfbedacht afdak dan op een standaardkeet, min of meer zoals huiseigenaren hun woning beter verzorgen dan huurders. Inmiddels is de plek in Nijmegen gerealiseerd. Hun eigen graffiti-wall staat er, jongeren kunnen er schuilen tegen regen en genieten van de geurige lavendel en ter plekke geplukte bessen.

 

Van Slobbe kan niet bewijzen dat de spanning op straat nu minder is, maar wel ziet hij dat de jongeren nu positiever betrokken zijn bij hun eigen leefomgeving. En het idee slaat aan. Na experimenten met groepen rondom middelbare scholen in Amsterdam, Bergen op Zoom, Leidsche Rijn, Arnhem en andere gemeenten heeft Van Slobbe een website in het leven geroepen: op NaturallyCool.nl vinden jongeren inspiratie voor hun eigen groene hangplek, compleet met tips over hoe je een maquette bouwt, de buurt meekrijgt en de gemeente kunt verleiden tot snelle actie. Op zeker vijftig middelbare scholen en buurthuizen verspreid door het land zijn jongeren aan de slag gegaan met het ontwerpen van hun eigen groene hangplek. Inmiddels zijn er nog twee andere hangplekken gerealiseerd (Dordrecht, Bergen op Zoom), terwijl het werk bijna klaar is op twee andere plekken (Amsterdam, Arnhem) en in nog een handvol andere steden zijn jongeren in overleg met het gemeentebestuur.

Het initiatief voor de groene hangplekken is tekenend voor Van Slobbe, die vindt dat natuur teveel is ingekaderd. Als oprichter en directeur van denktank Stichting wAarde, ontpopt hij zich als luis in de pels van de natuur- en milieubeweging. Zijn werkwijze? Hij vangt de tijdgeest, analyseert de frictie en zoekt naar een nieuw handelingsperspectief. Het kan gaan over jongeren die nergens mogen schreeuwen of stoeien, over kinderen die niet meer leren leven met kleine risico’s, over inburgeraars die zich letterlijk ontheemd voelen, of over koeien die in de strakke productieweilanden geen schaduw vinden. Van Slobbe is niet alleen een denker, maar ook een doener. Hij plant bomen, vlecht heggen en struint door de natuur op zoek naar eten en dat doet hij samen met de zogenaamde probleemgroepen van de samenleving. Zo inspireert Van Slobbe natuurorganisaties om kritisch te zijn over de eigen communicatie, die vaak teveel is gericht op mensen die toch al naar de natuur trekken, en zo inspireert hij beleidsmakers om open te staan voor ongewone -oplossingen. Door er vervolgens over te publiceren, brengt Van Slobbe zulke concepten verder naar een breder publiek. En dat brede publiek verdient hij, want wat Van Slobbe zegt over de natuur, zegt hij eigenlijk over de samenleving. En voor de moderne maatschappelijke uitdagingen heeft hij dan ook een recept dat direct afkomstig is uit de natuur. ‘We hebben de wildheid te ver uitgebannen.’



In Beek-Ubbergen, een dorp bij Nijmegen, gelegen aan de grens met Duitsland, loopt het pad steil omhoog naar de oude villa waar Stichting wAarde kantoor houdt. Erachter, op de Heuvelrug, tussen hoge bomen, kronkelt een gevlochten heg door de wei. De kraanmachinist die een sleuf moest maken om de heg in te poten, wilde aanvankelijk alleen recht graven, vertelt Van Slobbe, die juist wilde dat hij de lijnen van het landschap volgde. ‘Ik heb wel een half uur op hem in staan praten’, herinnert Van Slobbe zich. ‘Toen zag ik zijn oordopjes. Ik vroeg van welke muziek hij hield. Nirvana. “Mooi,” zei ik, “volg je muziek.” Toen moest hij lachen; dat vond hij wel een uitdaging.’ Hij boog de meidoorns vlak boven de grond en vlocht ze door hazelaars, beuken en vele andere struiken, waardoor een dichte groene afscheiding is gegroeid; veel mooier dan prikkeldraad. Van Slobbe kijkt genietend rond. Volgens hem biedt deze vlechtheg leefruimte aan wel 250 soorten planten en dieren.

Vanuit zijn werkkamer kijkt Van Slobbe uit op de Ooijpolder, waar boerenland recentelijk is teruggegeven aan de natuur. De rivier mag er weer bochten uitschuren, heuvels opwerpen en bomen meesleuren. Dat is een trendbreuk. Duizenden jaren was de mens erop gericht de natuur, met haar gevaarlijke woestheid, buiten te sluiten. ‘Het is een logische impuls om land in cultuur te brengen’, weet Van Slobbe. ‘Maar dat is ons té goed gelukt. We zijn doorgeschoten op het pad van de steriliteit.’

Als Van Slobbe, zwarte coltrui, baardje van twee dagen, grijze, ietwat lange haren, praat over de regelneverij bruist in hem een drang naar autonomie. Hij vindt het maar niks dat je niet zomaar een vuurtje mag stoken, van het bospad mag afdwalen, in een meertje mag zwemmen of zelfs in een boom mag klimmen. Bestuurders moeten volgens hem niet alles in de hand willen houden, maar hun daadkracht ombouwen tot ‘laatkracht’. ‘Eekhoorns kunnen zomaar ergens een eikel verstoppen, waar later een boom uitgroeit. Mensen mogen niet zomaar ergens een boom planten. Dat is toch raar?’

Hij wijst op een eeuwenoude eik, die solitair in het open glooiende landschap staat. ‘Dit vind ik nou een heel mooie boom’, zegt Van Slobbe beslist. ‘Weet je waarom? Deze heeft nog takken aan de onderkant.’ Hij vertelt dat bijna overal de gemeente lage takken laat verwijderen, omdat ze een gevaar zouden opleveren. Daarom -klimmen kinderen niet meer. ‘Juist dat bungelen aan takken – met de kans een paar botten te breken – leert kinderen omgaan met risico’s,’ zegt hij tegendraads, ‘waardoor ze op latere leeftijd veel minder gevaar lopen.’

Van Slobbe waarschuwt: als de natuurlijke wildheid van mensen teveel wordt onderdrukt, creëer je op termijn problemen. Je ziet het aan jongeren, meent hij. ‘Voor jongeren is natuur iets externs geworden, iets van een organisatie. Je ziet dat zij zich afzetten tegen die geregelde orde. Vaak wordt dat negatief vertaald als agressie en onverdraagzaamheid. Maar je kunt het ook zien als een onbewust verlangen, als een soort vrijheidsdrang.’ Die impuls verklaart volgens hem ook de grote populariteit van Geert Wilders, die intuïtief aanhaakt bij de ingeperkte vrijheidsdrang waarmee veel mensen worstelen. Van Slobbe: ‘Om te verkoelen heeft de maatschappij weer een zekere mate van wildheid nodig.’

Zelf herkent hij de behoefte om de conventies te omzeilen. Te midden van grond die altijd van iemand is, groeide de wens een eigen, lege plek te bezitten. Hij wilde grond kopen en onteigenen, maar dat mocht niet. (‘Wist je dat de hoofdtaak van het leger is te voorkomen dat er een stukje grond verloren gaat?’) Zijn -onorthodoxe reactie: ‘Ik heb een plek gestolen.’ Over dat project, waaraan hij meer dan een jaar in het geheim werkte, schreef Van Slobbe in Dagboek van een lege plek. Met doornstruiken vlocht hij een ondoordringbare heg om zijn gestolen grond. De plek is volledig van de kaart. Je vindt hem nooit, verzekert hij. ‘Je ziet er niets van.’ Sommige mensen worden boos omdat hij niet wil zeggen waar het is, maar Van Slobbe is niet te vermurwen. ‘Ik ben zelf ook nooit meer teruggegaan. De mensheid heeft niets meer over deze plek te zeggen. Als ik er niet meer ben, weet niemand op aarde waar het is.’



‘Ik probeer biografieloos te leven’, antwoordt Thomas van Slobbe op de vraag hoe oud hij is. Het gaat niet om zijn persoon, benadrukt hij. Maar doordat hij werkt vanuit persoonlijke gedrevenheid laat hij zich toch een beetje kennen. Het Den Haag waar hij in 1957 werd geboren, lag voor hem vooral dicht bij zee en misschien gaf het zijn tongval een tikje deftigheid. Ook Velsen, waar hij later woonde, had de openheid en ruigheid van zee en duinen. Hier had hij zijn indrukwekkendste natuurervaring. Thomas, acht jaar, had brood ingezameld voor de dieren. Het vroor. Met een slee vol ging hij het bos in, waar hij een roerdomp met bevroren vleugel aantrof. Angstig vluchtte het dier de rododendrons in. Vol mededogen kroop Thomas erachteraan, om hem te redden. Maar de vogel kwam klem te zitten, draaide zich om en vloog op hem af met zijn lange snavel vooruit. ‘Hij pikte bijna in mijn oog’, vertelt Van Slobbe. ‘Met opgezette veren had hij ineens een enorme kop. Hij was zo dichtbij, zo vol kracht. Die confrontatie heeft diepe indruk op me gemaakt.’

Na zijn studie ecologie in Nijmegen en Groningen werkte Van Slobbe onder meer bij de lobbyorganisatie Natuur en Milieu. Via juridische en politieke acties probeerde hij de overheid en het bedrijfsleven aan te zetten om meer rekening te houden met het milieu. Maar zijn belangstelling lag eigenlijk elders: ‘Ik ben vooral geboeid door de relatie tussen mens en natuur.’ Tien jaar geleden vertrok hij om Stichting wAarde op te zetten, een denktank die de natuur- en milieubeweging van frisse ideeën wil voorzien en de politiek wil inspireren tot creatieve oplossingen. De ene keer vergaderen ze met een wethouder over een project of met de minister over onderwijsvernieuwing, het volgende moment staan ze in een snackbar met jongeren te praten. ‘Onze grootste kracht is dat we echt luisteren’, weet Van Slobbe.

Zelf is hij daar een meester in. Hij probeert alles met aandacht te doen, heeft een broertje dood aan haast. Zijn houding is open en nieuwsgierig. ‘Ik probeer te onderzoeken met een beginnersblik, zonder oordeel’, zegt hij dan ook. En zo zal hij nooit zomaar aan een puber vragen of hij natuur belangrijk vindt, of wat natuur voor hem betekent. ‘Beleidsmakers stellen de verkeerde vragen’, vindt Van Slobbe. Hij knoopt gewoon een gesprek aan en ‘dan merk ik wel wanneer de natuur in zijn wereld opduikt’. Zo heeft hij geleerd dat jongeren in computerspelletjes vaak hun favoriete dier kiezen als helper en dat een jongen eens suggereerde om het Groene Hart op internet te zetten, zodat iedereen ervan kan genieten en de grond kan worden gebruikt voor woningbouw. Niet alleen luistert Van Slobbe goed, hij is ook nauwkeurig in het formuleren. Geregeld controleert hij of zijn woorden landen. ‘Snap je wat ik bedoel?’, zegt hij vaak. Die zorgvuldigheid heeft hij mogelijk geleerd nadat heel Nederland over hem viel toen een door hem bedachte term verkeerd werd uitgelegd. In 2004 lanceerde hij het ‘smulbos’, een bos waarin bessen, wilde paddenstoelen en tamme kastanjes konden worden geplukt. Vanwege de expliciete verwijzing naar de ‘zintuiglijke -natuurbeleving’ waar Turken en Marokkanen mee zijn opgegroeid, kopte De Telegraaf in vette letters: ‘Smulbos speciaal voor allochtonen’. Een paar dagen lang regende het klachten en columns. ‘Dat gaf een paar dagen flinke stress’, blikt Van Slobbe terug. ‘Later hebben we het “lekker landschap” genoemd en daarmee was de tegenstelling eraf gehaald.’

Over woorden kan hij wekenlang dubben. Aan een goede vondst ontleent hij intens plezier. Mede dankzij de verhitte discussie eindigde het ‘smulbos’ hoog in de top-tien van nieuwe Nederlandstalige woorden. Misschien gebeurt dat ook nog eens met de Slobbiaanse termen -‘scharreljeugd’ (kinderen die zich als vanouds spelenderwijs buiten de gebaande paden willen bewegen) en ‘struinrecht’ (het onvervreemdbare recht van mensen om rond te struinen in de vrije natuur). Als publicist flirt hij met ‘de taal van de daad’. Zijn boeken (Het verdriet van de korenwolf, Een vlechtheg heeft geen haast, Atlas van het Nederlandse weidegevoel) zijn fraai verzorgde uitgaven, helder geschreven, met hier en daar een toefje poëzie.

De schrijftalenten reiken verder. Onlangs maakte uitgeverij A.W. Bruna bekend dat achter het pseudoniem Ruben van Dijk, ’s lands schrijver van ecothrillers, jawel, Thomas van Slobbe schuilgaat. In het kader van zijn voortdurende zoektocht naar onconventionele mogelijkheden om een breder publiek te bereiken, is hij ecothrillers gaan schrijven. Met Het Kyoto-complot, over de lobby vanuit het bedrijfsleven om de doelstelling van het Kyoto-protocol te dwarsbomen, had het genre bij verschijning in 2007 zelfs het NOS Journaal gehaald en was de auteur genomineerd voor de Schaduwprijs, een literaire aanmoedigingsprijs; Graan wordt het tweede boek en verschijnt in januari. Van Slobbe: ‘Graan gaat over de risico’s van klimaatverandering voor de voedselketen en pleit, verpakt in een spannende thriller vol feiten over de wereldvoedselsituatie, voor veerkracht, transition towns en urban agriculture.’

Vraag jongeren om hun ideale wereld te tekenen, en ze beginnen allemaal met een zon, een huis en een boom. Van Slobbe vraagt zich af waarom die boom steeds om de hoek komt kijken. ‘Ik denk dat het ermee te maken heeft dat een boom voorbijgaat aan je eigen sterfelijkheid’, zegt hij. ‘Dat is balsem voor de ziel.’ Omgekeerd geldt het ook, weet Van Slobbe. Wanneer hij bij een boom staat die wordt omgehakt, voelt hij dat van binnen, zegt hij. ‘De uiterlijke wereld resoneert met je innerlijke wereld. Snap je dat?’ Een boom planten is bijna een spirituele behoefte, meent hij. ‘Zo’n boom verbindt je direct met de aarde. Daar moet niets tussen zitten. Daarom vind ik dat ieder mens in zijn of haar leven ten minste één keer een boom moet kunnen planten.’

Daar maakt hij zelf werk van. Het begon met Bomen voor koeien, een campagne om het vee een schuilplaats te bieden op hun weiland wanneer het regent of de zon schijnt. Die actie leverde meer dan tachtigduizend bomen op. (Van Slobbe: ‘Als mijn motivatie wankelt, denk ik aan al die bomen die we hebben gepoot.’) Onlangs is de actie beëindigd en overgegaan in Plant je voort, waarbij ook bomen worden geplant op plekken waar bijvoorbeeld kinderen spelen of waar reeën of andere wilde dieren beschutting nodig hebben.

Vol vuur vertelt hij over de respons op zijn nieuwe, stiekeme actie, met name ook gericht op tieners, om op grote schaal bomen te planten. Gewapend met schop, kruiwagen en plantgoed gaat Van Slobbe naar jongeren toe. ‘Als ik vraag waar zij graag een boom zien staan, borrelen de ideeën direct naar boven. Kiest iemand een plaats langs een drukke weg, dan vraag ik door: “Zou je het leuk vinden als die boom er over vijftig jaar nog staat?” Op zo’n moment zie je ze nadenken over waar die boom nou de meeste kans heeft om groot te worden. Dit soort gesprekken heeft me geleerd dat jongeren hun verantwoordelijkheid nemen wanneer je ze rechtstreeks aanspreekt.’ Ook hij neemt zijn verantwoordelijkheid. Wanneer de aanplant tot problemen met een gemeente of grondeigenaar leidt, betaalt hij de eventuele bekeuring. Maar tot op heden is het zover nog niet gekomen. Wel is er al heel wat gegraven in aarde zonder vergunning of goedkeuring, meestal zelfs zonder te weten van wie die grond is. Van Slobbe krijgt pretoogjes als hij eraan denkt.

Voor Van Slobbe is de boomactie meer dan een manier om Nederland groener te maken en de natuur dichter bij te brengen. ‘Het is niet voor niets dat bij feestelijkheden, een trouwerij, geboorte of zoiets, een boom wordt geplant’, begint hij. ‘Het leven gaat snel. We vliegen van hype naar hype. Daarmee raken we onze wortels kwijt.’ Volgens hem biedt de natuur een kans om te aarden, en daarbij zorgt ze voor levenslust. ‘Waarom denk je dat er zoveel mensen depressief zijn en lijden aan slapeloosheid?’, vraagt Van Slobbe. ‘Als je hard werkt en ziek wordt, moet je even dimmen en je zinnen verzetten. Dat is logisch, toch? Maar tegenwoordig nemen we een pilletje om door te gaan alsof er niets is gebeurd. We onderdrukken de natuurlijke terugkoppelingsmechanismen. We zeggen toch niet voor niets dat we even op verhaal willen komen in de natuur?’ Er klinkt nauwelijks boosheid door in zijn betoog; wel mededogen. ‘Het leven is te mooi om levensvreugde zo weinig kans te geven.’ Als we zijn aangekomen bij een open plek in het bos zegt hij: ‘Laatst zat ik hier. Kwam vlak naast me over een vermolmde tak een wezeltje aanlopen... Daarvan gaat je bloed sneller stromen. Natuur trekt je aandacht zonder stress op te leveren. Je hervindt er je eigen kracht.’