OPHETLAND.EU
   <<< beginpagina
Journalistiek
Columns
Artikelen
Boeken
Natuurmakers
Op het land

Landschapsbiografie van de Drentsche Aa
Ineke Noordhoff
Agenda
Contact
 
Artikelen


Geert Mak over landschapspijn
Kwartetten met gebouwen
Modderig museumstuk
Pieterburen aan Zee
De 21e eeuw
De druk neemt toe
Op zoek naar Wadden-wildernis
Goed zoeken naar Waddenwerelderfgoed
Grazen in stuivende duinen
Zee klapt over Rottum
Rottum groeit
Simonszand door midden
Bijzonder burgerinititief
Blekers boeren
Knikklei aan de haringen
Nieuwsmonitor 2
Nieuwsmonitor 1
Dannemeer 9
Dannemeer 8
Dannemeer 7
Dannemeer 6
Dannemeer 5
Dannemeer 4
Dannemeer 3
Dannemeer 2
Dannemeer 1
Het luie landschap

Verlangen naar wildheid
Alweer een moeras
Vrijbuiters van īt wad
Vrije-keuze-koeien
Feestje op braakland
Intratuin op grote schaal
In dienst van de natuur
Leuk werk in vijfsterrenlandschap
Een schuur vol beukennootjes
De natuur als medicijn
Help, ze komen plantjes tellen
Boeren stoppen met natuurbeheer
Het is een lastige periode
Akkervogels wacht hongerwinter
Geef burgers het landschap terug
Kleinere redacties, betere kranten?
Inkrimpingen gaan door
Vogelaar: dubbelspel
Grutto's kijken in stadsland
Met de tram de stad uit
Heel erge betweters moeten dood
Mensen vervreemden van de natuur
Het lageland stroomt vol


Dannemeer 6



Het gebied was kaal en leeg. Bouwland, met langs het water misschien een graspad van twee meter of zo. Verder niks.

IJpe Copinga en zijn vrouw Grietje voeren vele malen met 900 mud aardappels door De Haansvaart, over het Schildmeer, door het Afwateringskanaal van Duurswold via Schaaphok naar de Scharmer Ee. Tot het einde van aardappelmeelfabriek De Woudbloem in 1967.  Een paar jaar later gingen ze aan wal – en werkte IJpe in de bouw. Het was altijd ‘bij herfstdag’ als zij met het schip, ook Grietje genaamd, aardappels uit de provincie naar de De Woudbloem brachten. De laatste oogst moest bij De Woudbloem zijn voor de vorst inviel.

Soms ging dat laatste verradellijk snel. Zoals die ene keer toen ze voor de kaaimuur in de zwaaikom van Hellum lagen en ‘s ochtends ontdekten dat het schip was ingevroren. Ze lagen er vijf weken. De Haansvaart is maar smal, dus die ligt snel dicht. Boten, zoals de 4,28 meter brede Grietje, konden elkaar er niet passeren en er voeren in die herfstdagen zo’n dertig scheepjes rond om de oogst naar de fabriek te brengen. Kwam er een tegenligger aan of lag je te laden, dan moest je het schip verhalen naar een plek waar je elkaar passeren kon.

De Grietje was in 1927 gebouwd als een zeilschip, dus IJpe had de eerste jaren een ‘ opduwertje’, een klein scheepje met een 10 pk Lisster twee cilindermotor. Op het bredere Afwateringskanaal van Duurswold kon het opduwertje erachter, maar in de smalle Haansvaart  gebruikte hij het motorschip als slepertje. Zijn vrouw moest achterde helmstok terwijl hij het slepertje door het nauwe kanaal manoevreerde. Tot hij in 1965 een Annemac 60 Pk motor in de Grietje bouwde.

Ze kennen de streek dus goed, Grietje (de vrouw) en hij. Maar ook hun voorouders kwamen er al. ‘Mijn grootmoeder heeft nog wierde-grond gevaren naar boer De Haan’, vertelt Grietje. IJpe doet er niet voor onder. Beiden groeiden op aan boord; ze kennen elkaar van de school voor schipperskinderen. Alle twee hebben ze grootouders die van Ezinge met vruchtbare klei van de wierden aan boord naar de schrale zande en veengebieden voeren. De zeeklei was voor die boeren ‘goud’. Zo waardevol dat boer De Haan in 1866 er speciaal een vaart voor groef – compleet met sluis – om de klei op zijn land te krijgen.

IJpe en Grietje voeren bijna een eeuw later in hetzelfde gebied. Nu niet met vruchtbare terp-aarde aan boord maar met aardappels. In 1904 was in Woudbloem, toen nauwelijks een gehucht, de cooperatieve aardappelmeelfabriek De Woudbloem gekomen. Bij wijze van tegenhanger van de grote fabriek van WA Scholten in Foxhol. De Woudbloem betaalde de schippers tegen de 300 gulden voor een vracht. Maar de Copinga’s moesten wel goed opletten. IJpe: ‘ Er was een boer die noemden we ‘kloetjeboer’, die had altijd veel kluiten tussen de aardappels zitten. En dat risico was voor ons!’

IJpe en Grietje voeren heen wat keren weg over de Scharmer Ee het achterland in. De meeste laagveengebieden waar ze doorheen voeren, waren nog niet zo heel lang geleden ontgonnen. De bouwlanden vormden een open vlakte, sober ingericht. Onderweg zagen ze niet veel meer dan af en toe een boerderij en hier en daar een draai- of klapbrug en soms een bultje aardappels dat klaar lag voor vervoer. Nee, erg mooi of zo vonden ze het niet toen.

‘De sluis aan de rand van het Schildmeer was een ijkpunt onderweg. ‘De sluiswachter woonde met zijn gezin echt op de ruimte. Die arme mensen moesten altijd over het graspad naarHellum, dat was toch wel een heel eind.’ Niet in de laatste plaats omdat de vaart deels langs een onherbergzaam moerassig gebied liep. Dat stuk was zelfs te nat om te gebruiken als weiland. ‘Als we langs de sluis kwamen op het goeie tijdstip, konden de kinderen meevaren naar Hellum. Hoefden ze niet naar school te lopen. Dat vonden ze mooi natuurlijk.’